‘Je kan met die mensen geen gewoon gesprek voeren. Ofwel zeggen ze niks, ofwel gaan ze in de verdediging. Ik wil toch ook gewoon het beste voor hun kind?’ (een leerkracht)

De mate waarin de school zich kan inleven in de ouder is de allerbelangrijkste voorwaarde om tot een goed gesprek te komen. De school en de ouder in armoede ervaren contacten vaak zeer verschillend. Ouders in armoede kampen met een gevoel van minderwaardig zijn ten aanzien van de leerkrachten of leden van de directie. Ze durven niet komen omdat ze vroeger negatieve ervaringen hadden op oudercontacten of ze hebben schrik voor bemoeizuchtige vragen over hun situatie. Dit vraagt o.m. inzicht in diversiteit en kwaliteitsvolle interacties.

Train het schoolpersoneel, inclusief de mensen van het secretariaat, om zo veel mogelijk inlevingsvermogen op te brengen. Mensen in armoede worden een leven lang geconfronteerd met vooroordelen en negatieve houdingen. Dit maakt hen zeer gevoelig voor de niet-verbale lichaamstaal van hun gesprekspartners. Ze voelen zich sneller bekeken en gekeurd en formuleren als gevolg daarvan sneller een scherpe reactie. Soms begrijpen ze de leerkrachten en directieleden verkeerd, omwille van de ‘andere’ taal. Ouders in armoede hebben niet altijd dezelfde vaardigheden ontwikkeld als leerkrachten die uit middenklassegezinnen komen, bijvoorbeeld om hun mening of gevoelens te uiten. Door een sterk aanwezig minderwaardigheidsgevoel en slechte ervaringen gaan ze snel in de verdediging. Net omdat ze zich niet begrepen voelen en niet dezelfde taal spreken, reageren ze emotioneler. De school moet dit kunnen doorzien en toch in staat zijn om de communicatie terug in goede banen te leiden. Vormingen rond communicatieve vaardigheden kunnen leerkrachten en administratief personeel zeker alerter maken voor dergelijke signalen.
Hanteer in alle vormen van communicatie een aangepast taalgebruik
De school staat vaak veraf van de leefwereld van mensen in armoede. Besef dat veel zaken die voor het onderwijspersoneel vanzelfsprekend zijn, dat niet zijn voor mensen die in armoede leven. De gehanteerde spreektaal is om te beginnen vaak al helemaal anders. Bovendien is er zeker ook een andere cultuur met soms andere waarden en normen. Zaken die voor mensen in kansarmoede dagelijkse realiteit zijn, zoals kinderen die geplaatst zijn of deurwaarders of schulden hebben, worden op de meeste scholen niet besproken en zijn daar zelfs taboe. Logisch dan ook dat die ouders snel het gevoel krijgen dat ze op de school niet thuishoren en zich minderwaardig voelen. Ze zullen bijgevolg niet snel geneigd zijn om bij de school aan te kloppen als er problemen zijn.
Net daarom is het zo belangrijk dat het schoolpersoneel ook kennis van armoede opdoet. Zo zal men veel beter beseffen dat men tijdens contacten vakjargon dient te vermijden. Probeer alles in ‘mensentaal’ uit te leggen, zonder daarom naar kindertaal over te schakelen. Het is niet omdat mensen die in armoede leven niet altijd een uitgebreide of dure woordenschat hebben, dat ze dom zijn. Eenvoudige en korte zinnen gekoppeld aan een open en vriendelijke houding werken het best. (Als je school hierrond vorming wil, zoeken we graag met jullie mee!)

Stel jezelf de volgende vragen:
  • Hoe is het voor de ouder om naar een oudercontact te komen?
  • Met welke bril kijkt die ouder naar de leerkrachten, naar de school - en omgekeerd: hoe kijkt de school/leerkracht naar die ouder?
  • In welke omstandigheden leven deze mensen?
  • Welke verwachtingen hebben zij van hun kinderen?
  • Wat verwachten ze van de leerkrachten en van de school in het algemeen?
  • Respecteer ik als leerkracht, directeur… de ouder in zijn/haar rol en kracht (binnen het partnerschapsdenken), en zie ik die rol als evenwaardig?