Vier fundamentele vragen bij de Nieuwkomersverklaring

1/4/2016
De Belgische regering zal - wellicht binnenkort - een merkwaardig wetsontwerp voorleggen aan het parlement. Het heet uniek te zijn en beweert de snelle integratie van bepaalde nieuwkomers te willen stimuleren. Maar is dat wel zo? In de teksten staat dat – na ondertekening - de betrokkene een redelijke inspanning moet doen om ‘te beantwoorden aan de in de wet opgelijste criteria’. Doet hij dat niet, dan wordt de toegekende verblijfstitel niet verlengd.  ‘De beoordeling van de inspanning ‘– zo lezen we – ‘behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde’. Met andere woorden: naast het element ‘openbare orde’, krijgt de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ)  ruime bevoegdheid om eigenzinnig te beoordelen of nieuwkomers genoeg doen om te integreren. Oordeelt DVZ negatief, dan krijgt de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten. Of hoe een zogenaamd positief instrument om ‘onze waarden te verdedigen’, eigenlijk niet meer is dan ‘een stok achter de voordeur met een moraalfilosofisch laagje vernis’.

Misleidend maar niet onbelangrijk

Bij een eerste lezing van het voorontwerp van wet wordt elke lezer meteen verleid om de inhoud van de ‘integratiecriteria’ te bestuderen. Dat deden wij ook. Wie kritiek uit, komt echter meteen in een waardendiscussie terecht en stoot op het argument dat we toch niets kunnen hebben tegen vrouwen- en homorechten. Natuurlijk niet. Wij onderschrijven het Europese Verdrag van de rechten van de mens.

Maar we mogen niet blind zijn voor een aantal zinnen in de tekst die niet direct opvallen, maar wel onwaarheden bevatten. Wat met de zin ‘“Ik begrijp en aanvaard dat, in dit land, burgers en gezinnen zélf verantwoordelijk zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Ik zal daartoe de nodige inspanningen leveren. Ik begrijp en aanvaard dat het volgen van de inburgeringstrajecten waarin de deelstaten voorzien, goede kansen biedt om zelfvoorzienend te worden. “ Dit klopt niet. In dit land kennen we een systeem van sociale bescherming en sociale zekerheid (en –bijstand), waar je verplicht aan moet bijdragen, maar ook zorg van terug krijgt als je het nodig hebt (pensioen, ziekte, kinderbijslag ...). Impliceert deze zin dat sociale zekerheid mogelijk niet meer zou gelden voor nieuwkomers?

En wat doe je met die ‘kansen om zelfvoorzienend te worden’ als die worden ingeperkt door discriminatie op de arbeidsmarkt of als je diploma niet erkend wordt? Kortom: die hele nieuwkomersverklaring is en blijft een eenzijdige pennenvrucht. Ze gaat in tegen een cultuur van interculturele dialoog die wel effectief bijdraagt aan integratie.

Fundamentele vragen

De fundamentele angels onder dit voorontwerp zitten echter elders. Er zijn er minstens vier.

1.       Kan de regering déze extra voorwaarde wettelijk inbouwen om bepaalde verblijfsaanvragen (on)ontvankelijk te verklaren?
Er zijn nu al veel administratieve en financiële voorwaarden. Als je verblijf aanvraagt, moet je kunnen bewijzen dat je bent wie je bent, wie je wettelijke partner is, of je beschikt over middelen om in je levensonderhoud te voorzien, met welke werkgever je een arbeidsovereenkomst hebt, … Daarnaast is er de vraag of je ‘een gevaar bent voor de openbare orde of nationale veiligheid’ of ‘geen gevaar voor de volksgezondheid’ op basis van de actuele gegevens die over je bekend zijn.
De nieuwkomersverklaring is van een totaal andere orde. Het gaat over iets dat je ‘moet begrijpen en aanvaarden’ én waarvoor je je in de toekomst moet inspannen. De verklaring gaat niet over de wezenlijke reden waarvoor je een verblijfsaanvraag indient of iets wat je ‘de facto’ op dat ogenblik kan aantonen. Daarom onze vraag of ze een wettelijke basis kan zijn om een aanvraag als onontvankelijk te beoordelen? 

2.       Kan de regering déze extra voorwaarde wettelijk inbouwen voor een selecte groep verblijfsaanvragers?
                De nieuwkomersverklaring moet ondertekend worden door niet-EU onderdanen die een verblijfsaanvraag                 indienen. Maar ze wordt ook voorgelegd aan niet-EU onderdanen die in België om internationale bescherming   vragen of aan de gezinsleden die ze na erkenning laten overkomen. Worden niet verplicht: (niet-begeleide)         minderjarige vreemdelingen, ernstig zieken, en de ‘langdurig ingezetenen’ (niet-EU onderdanen die in de 28    EU-lidstaten een legaal verblijf van meer dan vijf jaar hebben en zich in België komen vestigen), buitenlandse     studenten, slachtoffers mensenhandel evenmin en de aanvragen in het kader van het associatieverdrag tussen de EEG en Turkije.
                Het gaat dus enkel over een duidelijk afgebakende groep niet-EU onderdanen. Een onderdeel     van de groep                 arbeidsmigranten, gezinsherenigers, en ook diplomaten en hun personeel.  Kan de regering aan deze      minderheid deze verplichting opleggen? Is er hier op zijn minst geen vermoeden van ongelijke behandeling?
 
3.       In welke taal wordt de verklaring voorgelegd en wat is de aanpak voor analfabeten?
                De beschikbare teksten zeggen ‘in een taal die de vreemdeling begrijpt’. Dat stelt ons niet gerust. Enkel   in het                 Nederlands, Frans en Duits? Enkel in het Engels? Het gaat tenslotte over   bijzondere begrippen. Wat met mensen die (deze letters) niet kunnen lezen? En nochtans staat in de memorie van toelichting: ‘deze verklaring is (…) in de eerste plaats een welkom aan de vreemdeling’.

4.       Kan de regering de beoordeling van de integratie-inspanning toevertrouwd worden aan de discretionaire bevoegdheid van de minister of zijn Dienst Vreemdelingenzaken?
                Dat zou op zijn minst merkwaardig zijn. Het regeerakkoord bepaalt: ‘In navolging van de audit die bij de   asielinstanties gebeurde, zal de regering ook de werking van de Dienst                Vreemdelingenzaken en Fedasil laten      doorlichten.’ Bovendien zijn de federale staatssecretaris           en de Dienst Vreemdelingenzaken geen vragende          partij om bijv. ‘De Commissie van Advies voor vreemdelingen’ te activeren in dossiers van uitzonderlijk       verblijf, de antwoorden om regularisatieaanvragen worden niet ernstig gemotiveerd en de wijze waarop      het         element ‘gevaar voor openbare orde en nationale veiligheid’ wordt geïnterpreteerd en toegepast is de             voorbije jaren niet meer onderzocht door het parlement. Waarom krijgt de DVZ niet eerst een doorlichting,       zodat het parlement lacunes in de werking kan blootleggen en kan opleggen de procedures meer transparant en gemotiveerd te maken? Nu zijn er blijkbaar te veel vragen om deze ingrijpende bevoegdheid aan de DVZ toe te vertrouwen.  

Onze fundamentele vragen gaan veel verder dan enkel de inhoud van de nieuwkomersverklaring. En ook: waarom wordt dit nu met zoveel nadruk door de agenda gezet, terwijl het niet eens wordt aangekondigd in het regeerakkoord?  Waarom krijgt dit meer prioriteit dan de andere elementen die wél in het regeerakkoord staan en waarin maar geen beweging komt? Wellicht om aan de staatssecretaris en zijn Dienst Vreemdelingenzaken een extra instrument te geven om verblijfsaanvragen meteen of na een eerste tijdelijk verblijf te kunnen weigeren. Een heel ander doel dus dan ‘de verdediging van de democratische vrije samenleving’, waar ook wij voorstanders van zijn.

Daarom, emeritus professor Vermeersch, dames en heren volksvertegenwoordigers en al wie met dit dossier bezig zijn, laat ons de volledige teksten lezen en het advies van de Raad van State afwachten, vooraleer we ze emotioneel of rationeel verdedigen. En wat ondertussen het integratieproces betreft: wij hebben het volste vertrouwen in de initiatieven van onthaal van nieuwkomers, het divers gekleurde middenveld en de samenwerking tussen alle personen en maatschappelijke instellingen die een verantwoordelijkheid kunnen opnemen.  Maar het wordt wel hoog tijd dat de deelstaten in al hun beleidsdomeinen (tewerkstelling, onderwijs, huisvesting) een tandje bijsteken om te komen tot een transversaal en interfederaal integratiebeleid dat antwoord biedt op de uitdagingen van vandaag en morgen.

Brussel, 1 april 2016

ORBIT vzw (Didier Vanderslycke, directeur)
Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw (Charlotte Van Dycke, woordvoerder)
Minderhedenforum vzw (Wouter Van Bellingen, directeur)
Netwerk tegen Armoede vzw (Frederic Vanhauwaert, directeur).
Contact: Didier Vanderslycke  didier@orbitvzw.be  0478/234564